• Tel: 010 4712313
  • Hof van Spaland 31
  • 3121 CA Schiedam

Open zee - Catherine Poulain

 

De prijzen die Catherine Poulain in de wacht sleepte in haar vaderland zijn divers. Wij mogen aannemen dat zij echt uitgereikt zijn en dat de instanties die hiervoor verantwoordelijk zijn werkelijk bestaan. Ik kende er niet één van! Toch is Open zee een roman die zeker een grote, wel bekende boekenprijs, zou kunnen scoren.

In een heldere taal, met gebruik van korte zinnen en hoogst waarschijnlijk steunend op eigen ervaringen schrijft Poulain over een wereld die wij nauwelijks kennen: de visserij in en rond de wateren van Alaska. Het rauwe leven van vissers die weken van huis zijn, tegen de klippen op drinken, zich schoor roken en hun leven wagen tijdens diensten die soms wel 24 uren kunnen tellen.

Het bijzondere van deze roman is dat de hoofdpersoon een tenger, breekbaar meisje van net twintig jaar is dat haar dorp in Frankrijk ontvlucht en –illegaal- aanmonstert op een schip dat toepasselijk de naam Rebel draagt. Lili zoekt het avontuur op, denkt de risico’s te kennen en hoopt met haar gage nog noordelijker dan Kodiak te reizen om daar op het noordelijkste punt van Alaska over het water te staren. “Maar Lili, de wereld is rond, wat denk je daar te vinden?” wordt haar gewaarschuwd.

Maar eerst moeten haar andere doelstellingen worden bereikt: vissen op koolvis, krab en heilbot. In het gezelschap van louter mannen monstert zij aan op het schip. Door haar werklust en doorzettingsvermogen wordt zij zowaar geaccepteerd door haar mannelijke mede-opvarenden waarbij het opvallend is dat van seksuele toenaderingen nauwelijks sprake is. Haar mondigheid helpt haar daarbij. Geheel zonder ongelukken blijft zij niet. Een gevaarlijke stekel van een niet bij naam genoemde rode vis veroorzaakt een bloedvergiftiging, een uitglijder op het dek breekt haar rib en uiteindelijk is een val in het vissenruim het minst belastend voor haar. De pijn verbijtend durft zij niet op te geven, zij moet het bewijs leveren dat zij niet minder is dan de mannen.

Open zee is het verhaal van grote verwachtingen en van het ontbreken hieraan. De bemanning ‘verft als zij aan land de stad rood’, wat een benaming is voor ‘zich klem zuipen’. Het mooiste karakter en voorbeeld hiervan is de oude rot Jude. Met zijn gele ogen en zijn ruige baard waarin altijd iets is achtergebleven is hij aan boord de man waarom als draait. De façade die hij tussen Lili en hemzelf opbouwt kan maar door een persoon worden gesloopt: hijzelf. Plotseling veranderen zijn ogen van geel omfloerst naar diamanten. Opvallend is dat de alcoholist bij zijn introductie ouder dan vijftig lijkt te zijn, maar in werkelijkheid halverwege de dertig is.

Je waant je in dit boek aan boord van de Rebel. Je blijft niet op een afstand staan kijken, maar steekt net zoals Lili de handen uit de mouwen. Je voelt het ijswater in je laarzen sijpelen en plukt de ingewanden van de vissen uit je haren. Je drinkt een ferme borrel mee in één van de talloze kroegen van Kodiak, zwerft met Lili mee door de nachtelijke straten en wenst maar één ding: dat zij het gaat redden.

 

Fragment:

Ik keel de rode rotsvissen. Dan duw ik ze naar links, ze glijden het ruim in. Op de tafel ligt het hart van een heilbot nog te pulseren. Zou het nog lang blijven kloppen als ik het weggooi samen met de ingewanden en het bloed? Of moet ik het in zee terugzetten? Het lijkt wel alsof het nooit dag wordt… Eerder voelde ik me door de spanning geradbraakt, nu lijk ik wel verlamd. Jude neemt de plaats in van Joey, die naast me komt staan. Aan de lijn zie ik de knoop die het eind van een beug aangeeft. Ik pak een lege bak en verwissel hem voor een volle, maak de schootsteek los. Vissenkaken zijn blijven steken aan de haken die ik beetpak. Joey trekt hem uit mijn handen. ‘Dat is veel te zwaar voor je!’

Ik kijk hem eerst verbouwereerd, dan angstig aan. Hoofdschuddend pak ik de bak weer terug.
De dag breekt toch aan. Over negenen. Klokslag twaalf moeten we de laatste boei hebben opgehaald. In een moordend tempo halen we de laatste set binnen, de vissen komen door elkaar heen terecht op het dek dat een bloedig abattoir is geworden. De mannen gaan maar door met snijden, te midden van verbrijzelde zeesterren en idiot fishes met uitpuilende ogen, in de doordringende lucht van ingewanden. Ik probeer een van de reuzen op de tafel te hijsen. Hij is heel groot en zwaar. Hij spartelt wild en ik glijd samen met hem uit. Ik heb hem nog steeds vast. De pijn in mijn rib doet me bijna huilen van woede. Samen drijven we tussen de ingewanden. Mijn eerste lijf-aan-lijfgevecht met een heilbot, omhelzingen in bloed en schuim. Ik omknel hem met alle macht. Hij verzwakt. De mannen hebben hem gekeeld, hij is bijna dood. Hij kronkelt nauwelijks meer. Ik heb een hand in zijn kieuw gestopt, die hij sluit. Mijn hand wordt dwars door de handschoen heen opengehaald. Het lukt me de reus op de tafel te krijgen. Hij beweegt niet meer. Hij is heel glad, het is de mooiste vis die ik ooit heb gezien. Ik pak een mes en steek het in de kieuw, maak dezelfde beweging als de mannen.

Ik heb mijn eerste heilbot gestript. Ik spoel het binnenste van de witte buik schoon. Het losgesneden hart is op de tafel gegleden, het klopt nog. Ik aarzel. En dat eet ik het op, dat hart dat niet wil sterven. Het eenzame hart is nu binnen in mij, in de warmte.

 

Uitgeverij: Cossee

352 pag. € 22.99

Cijfer: 8½